In het project ‘Dood doet Leven’ trekken diverse natuurorganisaties samen op om dode dieren, klein én groot, weer een plek te geven in onze natuur. Met die terugkeer kan een einde komen aan het magere bestaan dat de kadaverfauna leidt. Bij gebrek aan grote kadavers zijn bijvoorbeeld rode wouw, zwarte wouw en raaf uit ons land vertrokken en vermoedelijk eerder ook al de monniksgier. Dood doet Leven wil een lans breken voor het herstel van de kadavergemeenschap en daarmee van dat van de grote aaseters.

Slecht imago

Dode dieren hebben een slecht imago. Ze worden geassocieerd met stank en besmettelijke ziekten. Dat laatste geldt ook voor de opruimers van dode dieren: de aaseters. Terwijl juist deze dieren uiterst nuttig werk doen en ingenieus samenwerken. Bovendien betreft het vaak zeer spectaculaire soorten, zoals raaf, zeearend, zwarte wouw en diverse soorten gieren. De hoogste tijd dus voor eerherstel!

Kadaverschaarste

In de natuur zijn kleine kadavers meestal al opgegeten en weggewerkt, voordat wij ze überhaupt hebben opgemerkt. Je ziet ze zelden. De onzichtbaarheid van grote kadavers heeft een andere achtergrond. Veel edelherten, reeën en wilde zwijnen verdwijnen uit de natuurlijke voedselketen door jacht. Ook aangereden wild wordt meestal uit de natuur verwijderd en ter destructie aangeboden. Tenslotte is er een wettelijk verbod om wildlevende paarden en runderen dood in de natuur achter te laten. Uitzonderingen zijn Veluwezoom en Oostvaardersplassen, gebieden met een bijzondere status.

Vervreemding

Terwijl er al sprake is van schaarste aan grote kadavers, voorkomen natuurorganisaties vaak ook dat het publiek de grote dode dieren die wél aanwezig zijn, ontmoet. Ze leggen kadavers die in de natuur achterblijven buiten het zicht van de recreant. Het gevolg is dat het publiek meer en meer vervreemd raakt van een zeer wezenlijk onderdeel van de natuur.

 

          

             

Ree krijgt bezoek van een steenmarter

      


Dode dieren en dood hout

Het pleidooi voor meer dode dieren in de natuur is te vergelijken met dat van Stichting Kritisch Bosbeheer in de jaren zeventig (opent in een nieuw venster www.nieuwe-wildernis.nl) voor het laten liggen van dood hout in bossen. Deze werden destijds grondig ontdaan van afgevallen takken en omgevallen bomen. Inmiddels is algemeen aanvaard dat dood hout deel uitmaakt van de natuurlijke kringloop. Soorten zoals specht en vliegend hert profiteren hier volop van.

Nieuw elan

De eerste die baanbrekend werk verrichten op het gebied van Dood doet Leven, was Natuurmonumenten op de Veluwezoom. Zij voeren de afgeschoten edelherten en wilde zwijnen sinds het begin van de 21e eeuw niet meer af, maar laten de kadavers in dit gebied achter.
Om de essentiële rol van dode dieren bij een breed publiek onder de aandacht te brengen, hebben auteurs vanuit verschillende disciplines in 2005 het boekje “Dood doet Leven: de natuur van dode dieren” geschreven.
ARK Natuurontwikkeling en Staatsbosbeheer trokken in 2008 en 2009 veel aandacht met het project Dood doet Leven in de Gelderse Poort, door het afbraakproces van reeënkadavers via een webcam publiek te maken. Ook werden excursies naar deze dode reeën georganiseerd. Wat bleek? Kadavers werden veel meer geaccepteerd en gewaardeerd dan gedacht.
De tijd is dan ook rijp om vervolgstappen te zetten: meer voorbeeldgebieden, meer kadavers, grótere kadavers en meer ruimte binnen de wet. Ook andere natuurorganisaties willen zich hiervoor sterk maken: Natuurmonumenten, Stichting het Limburgs Landschap en in België Limburgs Landschap vzw en het Agentschap voor Natuur en Bos.