FACTSHEET DOODDOETLEVEN
2008-01-14
ARK Natuurontwikkeling en Staatsbosbeheer
Veel gestelde vragen
1. Over kadaver en publiek
-Mag ik in de omgeving van de kadaverplek rondlopen?
Ja, dit deel van de Groenlanden is vrij toegankelijk voor wandelaars
-Wat moet ik doen als ik op een dood dier stuit?
Luisteren naar de reactie van je lichaam. Bij de afbraak van een dood dier wordt al na korte
tijd een stadium bereikt dat insectenlarven en bacteriën een penetrante stank produceren, de
zogenaamde kadaverlucht. De spontane reactie van de meeste mensen is dan afstandhouden.
Observeren zonder directe aanraking is dan het advies.
-Wat als mijn hond aan het dode dier zit?
De dode dieren worden neergelegd op plaatsen buiten de gangbare paden. Met de hond aan de
lijn is de kans klein om op een kadaver te stoten. Maar een hondenneus vindt de kadavergeur
aantrekkelijk. De kadavers zijn van gezonde dieren, dus mocht de hond er aan snuffelen of
ongemerkt van eten, dan is er niets aan de hand. Honden beschikken trouwens over sterke
verteringssappen die goed raad weten met het aas.
-Wat als mijn kind aan het dode dier zit?
Algemeen advies aan ouders en hun kinderen is: afblijven. Niet met de handen aanraken.
Gebeurt het toch onverhoopt dan thuis de handen met zeep wassen. De kadavers zijn
overigens van aangereden, gezonde reeën. Kinderen zijn vaak gefascineerd door dode dieren.
Ze gaan er heel natuurlijk mee om en vinden het volstrekt normaal dat een dood dier in de
natuur moet vergaan.
-Leidt de aanwezigheid van kadavers tot stankoverlast en een fikse toename van vliegen?
Kortom, overlast voor de omwonenden?
De reeënkadavers worden neergelegd op voldoende afstand van de woonhuizen. We
verwachten dus dat er geen overlast optreedt. Mocht dat toch het geval zijn dan zullen we de
opzet van deze pilot aanpassen. Het Groenlandenterrein is overigens rijk aan insectenetende
zangvogels. Die zullen vast en zeker afkomen op het rijke insectenleven bij het kadaver. Dus
indirect profiteren veel meer dieren dan de hieronder genoemde aaseters.
2. Kadavers, verspreiding van ziektes en andere risico's
-Zijn er veterinaire risico's?
Onderzoek onder wildlevende herbivoren in de Nederlandse natuurgebieden heeft aangetoond
dat geen gevaarlijke, besmettelijke ziektes rondwaren. Dat is natuurlijk een grote
geruststelling voor de agrarische sector. Dieren in de natuur sterven aan voedselgebrek,
verzwakking of predatie. Een kadaver in de natuur is dus vrij van gevaarlijke ziektekiemen
en levert geen besmettingsgevaar op. Uitzondering op deze regel zijn kadavers die in water
liggen en bij warm weer botulisme kunnen ontwikkelen.
-Hebben de project-kadavers geen besmettelijke ziekten bij zich?
De dieren die worden gebruikt zijn verkeersslachtoffers. De aangereden dieren komen bij ons
terecht via de jachtopzieners (wilddeskundigen). Zij zien er mede op toe dat de kadavers
gezond ogen.
-Hoe groot is de kans dat een wild dier een besmettelijke ziekte onder de leden heeft?
De voor de veehouderij gevaarlijk geachte virussen komen praktisch niet voor onder wilde
hoefdieren. Een aantal voorbeelden uit de praktijk:
· in 1999 werd rundertuberculose vastgesteld bij een melkveebedrijf in Twente. In de
veronderstelling dat de bron gezocht moest worden bij wilde hoefdieren, werden 83
reeën onderzocht. Zij bleken allemaal schoon.
· sinds 1982 worden er bloedmonsters afgenomen bij schotse hooglanders op de
Veluwezoom. In totaal zijn in een periode van 20 jaar 120 dieren onderzocht die
allemaal vrij waren van besmettelijke ziekten.
· bij geschoten edelherten op de Veluwe worden bloedmonsters afgenomen en daarbij
zijn nooit besmettelijke ziektes vastgesteld.
· sinds 1997 zijn in de Oostvaarderplassen 110 heckrunderen onderzocht. Hiervan
bleken enkele dieren antistoffen te hebben tegen IBR (rundergriep), maar het virus zelf
hadden ze niet. Ze hebben het ooit dus wel gehad, maar op eigen kracht overwonnen!
Dit terwijl 20 % van de Nederlandse rundveestapel niet IBR vrij is.
· sinds 1999 zijn er 1500 geschoten wilde zwijnen onderzocht op ziekteverwekkers als
mond-en-klauwzeer en varkenspest, waarbij ze allemaal schoon bleken. Wel zijn
incidenteel (7 dieren) antilichamen gevonden tegen de ziekte van Aujeszky of
Pseudorabiës en bij één dier zijn antilichamen gevonden tegen Blaasjesziekte. Dus
wel een aantal dragers van antilichamen, maar de ziektes zelf hadden ze niet.
-Je kunt wel zeggen dat het allemaal ongevaarlijk is maar waarom heeft de overheid dan een
destructiewet ingesteld?
De destructiewet is ingesteld ten behoeve van gehouden dieren (boerenvee en huisdieren). De
schaalvergroting in de landbouw in de jaren '60 maakte het noodzakelijk om kadavers
centraal te verwerken of vernietigen. Wilde hoefdieren, waaronder edelherten, reeën en wilde
zwijnen vallen niet onder gehouden dieren en ook niet onder de destructiewet. De
wildlevende paarden en runderen in de natuurgebieden worden vooralsnog door de wet
aangemerkt als gehouden dieren. Daarmee vallen ze ook onder de destructiewet.
3. Over de kadavers
-Liggen de dode dieren op één plek?
Nee, we hebben gekozen voor meerdere locaties. De filmapparatuur is in staat een breed
gezichtsveld te filmen.
-Waarom kies je voor verschillende locaties?
Om redenen van natuurlijkheid en bodemgesteldheid. In de natuur gaan ook niet alle dieren
naar dezelfde plek om te sterven. De laatste resten van een kadaver worden door bodemfauna
onder de zode gewriemeld. Dat heeft nogal wat effect op de bodem ter plekke. Daar moet je
niet meteen andere kadavers bovenop gooien; dat zou een doordrenkte lijkenplek tot gevolg
hebben. Eerst moet de bodem tijd hebben om de resten te verwerken, waarbij schimmels,
bacteriën en planten de laatste voedingsstoffen weer in het systeem kunnen brengen.
-Hoeveel kadavers worden er neergelegd?
We proberen twee jaar lang onafgebroken een kadaver binnen het bereik van de filmcamera te
hebben liggen. Op die manier bouwen we een beeldarchief op van het afbraakproces en van
de dieren die daar een rol in spelen. Afhankelijk van de snelheid van het afbraakproces
worden de kadavers dus ververst. Vermoedelijk spreken we over 10-20 kadavers per jaar.
-Is een vergunning nodig voor het neerleggen van een ree in de vrije natuur?
Een ree heeft net als het edelhert, het konijn en het wilde zwijn een wilde status in Nederland.
Dieren met een wilde status mogen in de natuur een natuurlijke dood sterven en na hun dood
blijven liggen. Binnen dit project worden de aangereden reeën weer teruggebracht in de
natuur waar zij immers uit vandaan komen.
-Waarom is het nou belangrijk dat een kadaver in het terrein zelf vergaat?
Natuur is een oneindige cyclus van leven en dood. Het is eten en gegeten worden.
Organismen groeien en bouwen weefsel op. Dat weefsel zal ooit in levende of dode vorm
weer tot voedsel dienen. Er zijn in de natuur grote aantallen dieren en planten die
gespecialiseerd zijn in de afbraak van dood weefsel. In de jaren zeventig drong dat besef goed
door in de bosgebieden. Sindsdien is de aanwezigheid van dode bomen enorm
opgewaardeerd. De biodiversiteit heeft er flink van geprofiteerd. De talrijke kevers, mossen,
spechten, vleermuizen zijn ons daar dankbaar voor.
Op soortgelijke wijze is het gesteld met dode dieren. De natuur heeft een breed assortiment
van kadaveropruimers beschikbaar die zitten te smachten om lijken. Tal van zeldzame dieren
zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van grote kadavers. Nu dringt het inzicht door dat het
tegen de wetten van de natuur indruist om kadavers uit het natuursysteem te verwijderen. Een
lichaam dat gegroeid is dankzij het eten van bouwstoffen uit een bepaald gebied, moet in
datzelfde gebied weer worden afgebroken om ten goede te komen aan het plaatselijke
natuursysteem. Dan is sprake van ware duurzaamheid. De aanwezigheid van een goede
aasetergemeenschap zorgt hierbij voor een snelle en effectieve afbraak.
-Zijn reeën vaak slachtoffer van aanrijdingen?
Jaarlijks sneuvelen in de Ooijpolder 15-20 reeën door het verkeer. In het Rivierengebied loopt
dit aantal op tot 100 dieren.
-Hoelang duurt het voordat een kadaver is gereduceerd?
Dit varieert en is sterk afhankelijk van seizoen (temperatuur) en aanwezigheid van roofdieren,
aaseters en reducenten (bacteriën & schimmels). Op deze plek zullen we dat
proefondervindelijk vast moeten stellen. Uit proeven elders is bekend dat het kan variëren van
enkele dagen tot maanden. Sommige aaseters zoals everzwijnen (komen in de Groenlanden
niet voor) weten kadavers binnen een paar dagen op te peuzelen. Uiteraard is de grootte van
een kadaver ook van invloed. Een klein beestje is veel sneller opgeruimd dan een fors dier.
Een dode muis is bij wijze van spreken met één hap verdwenen, een groot kadaver kan
wekenlang de voedselbehoefte van een flink aantal consumenten dekken.
4. Over aaseters
-Welke aaseters leven in de Groenlanden?
Veel meer dieren dan je zou denken, doen zich op één of andere manier tegoed aan aas. Vos,
das, steenmarters, ratten, muizen, kraaien, eksters, meeuwen, buizerd, steenuil, vliegen
(maden) en aaskevers behoren tot de alledaagse kadaverploegen, om over de onbekende
wereld van micro-organismen en minuscule insecten maar te zwijgen. Nu en dan bezoeken
ook zeldzamere aaseters het gebied, zoals zwarte wouw, wilde kat, raaf of zeearend. En wat te
denken van de mezen en andere vogels, die voor hun nestvoering graag kadaverhaar
gebruiken. Of de grote grazers, die in hun behoefte aan kalk wel eens een botje weg
knabbelen?
-Als predatoren als vossen zo makkelijk aan hun maaltje komen, zullen er dan niet teveel
vossen komen?
Een vos leeft in een territorium, waarin soortgenoten (behalve in de paartijd) niet geduld
worden. Het aantal beschikbare territoria bepaalt dus hoeveel vossen er leven.
Overigens werpt het eten van aas nieuw licht op de vos. Moesten we uit andere verhalen niet
juist opmaken dat vossen kippen stelen, weidevogellegsels roven en vooral overlast bezorgen?
Nu blijkt de vos een gewaardeerde afvalruimer te zijn.
-Ontbreken hier (in NL) niet de echte grote aaseters?
Dit wordt wel eens aangehaald als argument tegen het laten liggen van grote kadavers. Het
ontbreken van diersoorten als wolf, zeearend en gieren zou een vlotte recycling van een groot
kadaver belemmeren. Van deze soorten is inderdaad bekend dat ze de dikke, taaie huid van
een dood rund open scheuren en het kadaver zo toegankelijk maken voor de kleinere en
minder sterke aaseters. Zonder deze krachtpatsers moeten de kleintjes langer wachten, maar
door rotting springt het kadaver na een paar dagen toch wel vanzelf open. Ondertussen treden
echter allerlei veranderingen op in de natuur. Sinds 2006 broedt de zeearend weer op
Nederlandse bodem en de laatste jaren komen telkens groepen gieren op speurtocht naar onze
contreien. De grote aaseters willen wel, zo lijkt het.